Iwer Thor Lorenzen


Geboren op 8 januari 1895 te Harrislee (Flensburg, Duitsland)

Tijdens de 1e wereldoorlog raakte hij in de Dolomiten bekend met anthroposophie. Nadat hij getrouwd was met Erna Kiewitz, kreeg het echtpaar 5 kinderen waarvan er 4 in de kindertijd stierven. Na zijn studie koos het voor het leraarschap. In augustus 1920 werd hij via rector Moritz Bartsch lid van de Anthroposophische Vereniging. Met Pinksteren 1924 woonde hij de landbouwcursus bij die, georganiseerd door graaf en gravin Keyserlingk, op hun landgoed Koberwitz door Rudolf Steiner werd gegeven.

Als levensopgave wilde hij vanuit de anthroposophie in de biologie werken. Hij wilde vooral een brug slaan tussen anthroposofie en de natuurwetenschap.

In 1938 publiceerde hij over de bijen. Daarna volgden er publicaties over de evolutie van aarde, mens en dier. Hij schreef veel en werkte aan zijn publicaties door tot in de laatste dagen van zijn leven. Een 10-tal publicaties gaf hij in eigen beheer uit. Ze zijn alleen nog antiquarisch te verkrijgen tegen aanzienlijke prijzen als ze al te krijgen zijn.

Hij overleed op 81-jarige leeftijd op 27 juli 1976 te Hamburg.

De Bij in de Kalevala

Inleiding:

De Kalevala is een Fins epos, in de 19e eeuw opgetekend door de arts Elias Lönnrot (1802-1884) uit de monden van de laatste zangers, die de mondeling overgedragen mythische spreuken en verhalen toen nog vertolkten. Samengevoegd tot een grote compositie leidde dit tot de Kalevala, voor het eerst verschenen in 1835.

De definitieve versie omvatte 50 runen of zangen. Een prachtige Nederlandse geïllustreerde uitgave, 1985 door Vrij Geestesleven te Zeist, bevat alle 23000 versregels. De lotgevallen van drie helden worden beschreven: de oude zanger Vaunämönen, de smid Ilmarinen en de jeugdige Lemminkänen. Ieder beleeft eigen avonturen, maar hun lotgevallen zijn ook sterk met elkaar verweven. Tot slot trekken de drie helden naar het Noordland om de rijkdom-schenkende Sampo te veroveren. Tijdens een wonderlijke en heroïsche strijd op zee breekt de Sampo in stukken, maar de brokstukken spoelen aan land en schenken het land en zijn bewoners langdurig welvaart en voorspoed.

We pakken het verhaal op in de 15e rune, versregel 377:

Lemminkänens oude moeder
schiep de man, de sterke held zo
weer tot leven zoals vroeger,
als voorheen gaf hem gestalte.
Goed gesloten waren d’aderen
saamgeknoopt aan alle einden,
maar de man kon nog niet spreken,
nog ontbrak de macht van ‘t woord hem.
Toen bezon zich d’ oude moeder,
liet zich aldus toen vernemen:
‘Waar kan ik de zalf verwerven,
waar de honingdruppels halen
waarmee ik de zwakke zalven,
d’ ongelukkige kan helen,
dat de man weer komt tot spreken,
tot een lied zijn mond weer opent?
Bijtje, kleine honingvogel,
koning van de wilde bloemen,
ga op weg en haal mij honing,
breng de zoete zeem ter plaatse
uit het lieflijke Metsola,
uit het wakkere Tapiola,
uit de kelk van vele bloemen,
uit de vezels veler grassen,
dat ik al zijn pijn stillen,
alle kwalen kan genezen.’
‘t Bijtje, kwieke honingvogel,
is op weg reeds, vliegt en fladdert
naar het lieflijke Metsola,
naar het wakkere Tapiola,
nipt aan bloemen in de weide,
roert de honing met de tongspits,
mengt hem uit zes bloemenkelken,
uit de bloei van honderd grassen,
komt dan ras terug al zoemend,
komt gezwind weer aangevlogen,
alle vleugels vol met honing,
zoete zeem aan alle haartjes.
Lemminkänens oude moeder
neemt gezwind de zoete zalf nu,
zalft daarmee dan zacht de zwakke,
wil de ongelukkige helen.
Maar de zalf blijft zonder werking,
spreken kan de arme nog niet.
Spreekt daarop dan deze woorden:
‘Bijtje, lieflijk kleine vogel,
vlieg nu uit naar andere zijde,
vlieg nu over negen zeeën
naar het eiland in de stromen,
naar de honingrijke velden,
naar het nieuwe verblijf Tuuri,
naar Palvonens wijdse woonstee,
daar is kostelijker honing,
daar zijn wondergoede zalven
welke alle adren dienen,
heilzaam op gewrichten werken;
breng tot mij nu deze zalven,
breng mij deze tovermiddelen,
dat ik alle schade dekke,
alle wonden goed bestrijke.’
‘t Honingbijtje, kwiek en handig,
fladdert op naar d’ andere zijde,
vlieg wel over negen zeeën,
vliegt over de helft der tiende,
vliegt één dag en nog een tweede,
vliegt ook nog ten derden dage,
daalt niet neer in ‘t golvend rietland,
rust niet op één enkel blaadje,
naar het eiland in de stromen,
naar de honingrijke velden,
naar ’t gebruis der watervallen,
naar der heil’ge wateren kolken.
Daar werd toebereid de honing,
Werd de zalf tesaam gewreven
In de kleine aarden kruiken,
In de schone koperen ketels
Van de grootte van één duim slechts,
Breder niet dan ’n vingertopje.
Honingbijtje, kwiek en handig,
Zamelt ijverig deze zalven.
Korte tijd was slechts verlopen,
’n ogenblikje slechts voorbij was,
toen het zoemend reeds weer terug was,
ijverig zoemend nader snelde,
in de armen ’n zestal schalen,
zeven kommen op haar rug nog,
boordevol met zalven heilzaam,
vol met sterke tovermiddelen.
Lemminkäinens oude moeder
Wreef haar zoon met deze zalven,
Wreef haar kind met negen zalven
En een achttal tovermiddelen;
Zonder werking bleven alle,
Hulp zij konden haar niet brengen.
Sprak de oude op deez’ wijze,
Liet aldus zichzelve horen;
‘Honingbijtje, hemelvogel,
vlieg nu uit ten derde male,
in de hoogte naar de hemel,
vlieg door negen hemelrijken,
honing is daar overvloedig,
zoete zeem zoveel men wenst zich,
die de Schepper heeft gezegend,
Jumala heeft rein geademd
Toen hij zelf zijn kinderen zalfde
Die een boze macht verwondde;
Doop je vleugels in de honing,
Al je haartjes in de zoetheid,
Breng mij honing op je vleugels,
Zoete zeem al op je pelsje,
om de smarten hier te stillen,
om te helen alle wonden.’
Honingbijtje, beste vogel,
Liet op deze wijs zich horen:
‘Hoe zou ik daar ooit wel komen,
ik een ventje zonder krachten?’
’t Zal waarachtig heel goed lukken,
zult heel mooi naar boven ruisen,
boven maan en onder zonne,
door des hemels schone sterren;
vliegend zal je d’eerste dag reeds
Orions slapen zacht omspelen,
Naderen zal de tweede dag je
’t schouderblad van Grote Beer al,
en ten derde dage ga je
langs de rug der zeven sterren;
kort is dan de weg vandaar nog,
heel gering is dan de afstand
naar Jumala’s heilige zetel
waar de zalige verblijf houdt.’

‘t Bijtje maakt zich los van d’aarde,
vleugelt op uit ’t groene grasveld,
fladdert op met zacht gesuizel,
vliegt omhoog op kleine vleugels
langs de schemerig-blauwe maankring,
trekt langs wijde zoom der zonne,
langs de Grote Bereschouders,
langs de rug der zeven sterren,
zweeft naar kelders van de schepping,
voorraadschuur van de Almachtige,
daar wordt hem bereid het middel,
daar wordt heilzaam zalf gewreven
in de zilverrijke vaten,
in de louter gouden ketels;
in het midden kookt de honing,
aan de kanten zachte balsem,
nectar aan het zuidelijk einde,
in het noorden pure zalven.
’t Bijtje nu, de hemelvogel,
zamelt volop er de honing,
zoete zeem in overvloede;
korte tijd was slechts verlopen
komt het zoemend ras weeromme,
komt het alweer aangesuizeld,
honderd hoorntjes in de armen,
duizend vaten en nog kruikjes
vol met honing, vol met sappen,
vol met allerbeste zalven.
Lemminkäinens oude moeder
Nam gezwind ze in haar mond nu,
Proefde met haar tong zorgvuldig,
Onderzocht met ernstig peinzen:
‘Ja, dit zijn de juiste zalven,
een almachtig tovermiddel
waarmee Jumala nu zalft hem,
Schepper zelve stilt de pijnen.’
Daarop zalfde zij de zwakke,
hem die het zo slecht vergaan was,
zalft de beenderen langs de voegen,
strijkt de barsten der gewrichten,
zalft van onderen, zalft van boven,
strijkt van ’t lichaam ook het midden,
spreekt dan woorden die zo klinken,
laat op deze wijs zich horen:
’Sta nu op na lange slaap jij
en verhef je uit de sluimer,
van deez’ onheilsplek verhef je,
van onheilzame stee sta op nu!’
Dan ontwaakt uit diepe slaap hij,
hij verheft zich uit de sluimer,
heeft weer macht nu over klanken,
spreekt dan zelve deze woorden:
waarlijk heb ik lang geslapen,,
diep gesluimerd heb ik luiaard,
wonderzoet was deze slaap mij,
diep was ik in slaap verzonken.’
Lemminkänens moeder sprak nu:
liet op deze wijs zich horen:
’Langer had je nog geslapen,
langer had je hier gelegen

…….

— wordt vervolgd —

Jarenlang zwermen

Na het jarenlang laten zwermen van de bijen is er iets nieuws opgetreden wat opmerkelijk is. Nadat een zwerm geschept is, zijn er altijd wat bijen die later weer op de plek terugkomen waar de zwerm hing. Dit trosje lost meestal snel op. De bijen vliegen namelijk terug naar de kast of korf waar ze uit afkomstig zijn. Maar de laatste tijd is dat bij mij anders; de bijen vliegen niet meer terug. Het trosje blijft nog dagenlang hangen en lost zich maar heel geleidelijk op.

Het achterliggende idee is dat door het jarenlang laten zwermen, deze zwermen zo’n duidelijke eenheid zijn, dat de bijen die daar deel van uitmaken alleen bij deze eenheid horen en door het zwermen werkelijk los zijn geraakt van hun achtergrond, de kast of korf van waaruit ze afkomstig waren. Ze kunnen niet meer terug.

Dit is volgens mij een stap voorwaarts in de richting van het realiseren van sterke vitale volken die een werkelijke eenheid vormen.

bron Wim van Grasstek

Bijen kunnen zonder manipulatie

Bij een van de weinige kasteelboerderijen die Nederland nog rijk is, is te zien hoe bijen zonder ingrijpen door imkers weten te overleven. In een noordelijke muur hebben bijen hun intrek genomen. De zon komt er nauwelijks, het is er vaak koud en in de lente beginnen de bijen veel later te vliegen dan de bijen die in 2005 aan de zuidkant de muur ingetrokken zijn, maar ze zijn er en het zijn blijvertjes. De precieze moment van intrek is onbekend, maar zeker is het dat de bijen er ononderbroken sinds 1999 zitten. En dat:

  • zonder suiker bijvoeren om de winter door te komen (waarvan verondersteld wordt dat dat in Nederland noodzakelijk is)
  • zonder het geven van kunstraat
  • zonder chemische bestrijding van de Varroa (waarvan verondersteld wordt dat zonder deze bestrijding een volk snel het loodje zal leggen)
  • zonder zwermverhindering
  • zonder verdwijnziekte dus
  • zonder menselijke manipulatie

Maar ook de bijen in de zuidelijke muur hebben het al vier jaar overleefd. Zouden bijen niet veel vitaler zijn als we ze anders begeleiden, dwz met veel minder of zelfs geen enkele manipulatie? Iedereen kan dus bijenhouden.

Ook in 2011 zijn de bijen weer ‘los’ voor het 6e achtereenvolgende jaar.

Zondag 25 april 2010 hing er een grote wolk bijen voor de zuidelijke muur, de bijen bezochten een dag eerder al de mestvaalt en halen er o.a. hun mineralen. 24 april openden de mieren hun ondergrondse behuizingen. In grote getale kwamen ook zij weer naar buiten. Zou er een verband bestaan? In ieder geval waren het beide warme lentedagen.

In 2011 beginnen de bijen op maandag 18 april te vliegen, een warme voorjaarsdag met temperaturen boven de 20 graden. De maan staat in weegschaal, een lichtteken. Een enorme bedrijvigheid op deze dag na bijna 6 maanden winterrust

Op 27 april 2010 veel leven voor de noordelijke muur. Voor het 12e achtereenvolgende jaar hebben de bijen het zonder imkerbemoeienis weten te overleven. We wachten gespannen af of de bijen zich ook in 2011 weer zullen laten zien.

In 2011 beginnen de bijen op woensdag 20 april te vliegen. Opnieuw een zeer warme voorjaarsdag zoals de hele maand april al het geval is. Dit is dus het 13e achtereenvolgende jaar.

Zijn er imkers die al 12 jaar of langer een volk in dezelfde behuizing houden zonder manipulatie, zonder bestrijdingsmiddelen, zonder invoeren en zonder sterfte ?? Of een plek weten waar bijen ononderbroken sinds jaar en dag huizen?? We horen het graag.

bron JvK

Landbouw en Imme – Boer en Imker

In de Nederlandse Vereniging tot bevordering van de biologisch-dynamische landbouw bestaat een historische scheiding tussen landbouw en imkers. Deze uit zich in een afzonderlijk jaarprogramma en eigen bijeenkomsten. In de vereniging bleek in het verre verleden geen plaats te zijn voor imkers; de reden daarvan is mij onbekend. Een BD-inkerwerkgroep was het gevolg. Deze desintegratie is symptomatisch voor de verwijdering die de afgelopen tientallen jaren al meer heeft plaatsgevonden tussen landbouw en bijenteelt; tussen boer en imker.

Circa 30 jaar voor het begion van de jaartelling schreef Marcus Terentius Varro over de landbouw in zijn Rerum rusticarum libri III. Een groot deel van de verhandelingen gaat over de bijenteelt. Uit dit geschrift blijkt dat toen het inzicht bestond dat landbouw en bijen bij elkaar horen. Varro was niet de enige die de bij in verband met de landbouw zag. Na Varro volgden:

Publius Vergilius Maro (70 – 19 voor Chr.) met zijn leerdicht Georgica, waarin een beschrijving van de bijenstaat gekoppeld wordt aan de landbouw
Gaius Plinius Secundus (23-79 na Chr.), die ettelijke delen wijdde aan de landbouw en de planten, waarbij bijen een belangrijke rol spelen. Plinius heeft het onder andere over de aanplant van honinggevende gewassen in het Rijngebied ter bevordering van de bijenweide aldaar
Columella is een latijns schrijver over de landbouw uit de eerste eeuw na Christus; ook hij behandelt uitvoerig de bijenteelt

Veel Romeinse boerderijen hadden een eigen bijenstand. Als de eigenaar niet zelf de bijen behandelde, stelde hij een imker (melliarus) aan

Enkele honderden jaren later was het Karel de Grote, zelf ook bijenhouder, die verordeningen in het leven riep om de invloed van de imme te garanderen. Op zijn landgoederen liet hij modelbijenstanden opzetten. Onder andere bij Stevansweert en Geissenweiler, welke door bekwame imkers, Zeidlers, werden beheerd. In de beroemde landbouwverordening voor landgoederen bepaalde hij dat er op ieder landgoed een imker en medebrouwer diende te zijn. Weliswaar een maatregel van bovenaf, maar een die getuigd van inzicht in het wezen van de imme, waar de huidige bestuurders nog iets van kunnen leren.

Dit inzicht lijkt nu te ontbreken. In de laatste decennia is de bij massaal van de boerderijen verdwenen. Op het eerste gezicht zijn er legio aanleidingen. Een aanleiding is dat door het gebruik van verdelgers van ‘onkruiden’ bijen vergiftigd werden en vele drachtplanten van het landelijk toneel verdwenen. Gelijktijdig verdwenen korenbloemen, paardebloemen, de vele hagen etc. etc. Ook werd door de monoculturen de drachtplantenvariëteit monotoon en daarmee de drachtperioden van korte duur. Honing levert in verhouding tot vroeger veel minder op. De vraag naar zorgvuldig behandelde, onverhitte honing uit de eigen streek is niet groot en ook de kerk is niet meer de grote afnemer van bijenwas voor haar kaarsen. Paraffinekaarsen stinken weliswaar, maar zijn voor de kerkelijke autoriteiten wel veel goedkoper. Het zijn allen aanleidingen van buitenaf. Maar een belangrijke oorzaak is dat het intuïtieve bewustzijn van de boer vrijwel geheel vervangen is door een mechanisch en materieel wereldbeeld, waarin de bij geen rol van enige betekenis speelt. En voor de consument geldt hetzelfde.

Er zullen ongetwijfeld veel boeren zijn, die een ander wereldbeeld hebben. Feit is dat de bij vrijwel geen enkel boerenbedrijf meer een plaats heeft, ook niet op BD-bedrijven. Dit ondanks de mededelingen van Rudolf Steiner en ondanks de aandacht die Maria en Mathias Thun jaarlijks aan de bijen besteden. De boeren die ik ken en die met veel moeite en werklust een bedrijfsindividualiteit pogen op te bouwen, vinden nauwelijks de tijd om te lezen of te studeren. Maar, …misschien wel af en toe een artikel in een blad als dit.

Rudolf Steiner hield enkele maanden voor zijn lezingen over de landbouw een achttal lezingen over de bijen, waarin ook hij het verband aangeeft tussen de bijen en de bloemen/plantenwereld. Deze lezingen werden als brochure voor de leden uitgegeven door de groep onderzoekers op het gebied van de landbouw, die aan het Goetheanum verbonden was.

In een doctoraalscriptie van twee Australische studenten stond de enkele jaren geleden ontdekte waarneming dat bijen, terwijl zij een bloem bezoeken, bijengif uitwasemen (Bijengif heeft net als wespengif een gelijksoortige samenstelling als mierenzuur). In wezen heeft Rudolf Steiner dit al veel eerder medegedeeld. Dit blijkt uit enkele fragmenten uit de zevende lezing, van 15 december 1923, uitgegeven in “De Bijen’. Dit kan een inspirerende lezing zijn voor iedere aardebewerker.

In deze voordracht over de bijen zegt Steiner ongeveer het volgende:

Als een mier, een bij of een wesp een bloem bezoekt, nemen zij iets van haar weg, maar er vloeit ook mierenzuur naar binnen. Dit mierenzuur verbindt zich met het sap van de bloem. Als dit niet gebeurde zouden het mierenzuur en de noodzakelijke vergiften (verzamelaars van de geest) niet in de bloemen komen. De bloemen zouden dan na verloop van tijd uitsterven. Eigenlijk worden de bloemen steeds zieker en zieker en de bijen, wespen en mieren werken voortdurend voor de bloemen door ze mierenzuur te geven waar zij behoefte aan hebben, zodat alles weer gezond wordt. Alleen stoffen als mierenzuur zijn levendragend. Mierenzuur doordringt ook de afstervende bodem van het bos en die wordt daardoor in zekere zin weer tot leven gewekt. Mieren dragen ertoe bij dat de aarde toch levend blijft in dingen die vermolmd zijn. Het mierenzuur is een niet aflatend middel tegen het afsterven. In de natuur werkt het mierenzuur zodanig dat de aarde kan blijven bestaan.

Dit korte bewerkte uittreksel doet onvoldoende zijn recht aan de lezing en de lezingencyclus; vandaar mijn aanbeveling om deze in zijn geheel door te nemen als het bovenstaande u aanspreekt.

De bij als (voorbeeld-) individualiteit op het landbouwbedrijf wordt het onderwerp voor een volgend artikel

Theo Georgiades

De bij als huisdier

Vrijwel iedere honingbij die we zien behoort tot een volk op de bijenstand van een imker. De imker heeft de bijen het liefst zo dicht mogelijk bij huis om er vaak naar te kunnen kijken en zo de verzorging af te kunnen stemmen op wat hij ziet. Bovendien valt er veel te leren van het kijken naar een bijenvolk.

Al wordt de bij niet in huis gehouden, toch zou je van een huisdier kunnen spreken. Huisdieren worden onder andere huisdier genoemd omdat je ze kunt knuffelen en aaien, en dat zullen toch weinig mensen met bijen doen. En toch vertelde een imker mij dat hij zijn bijen met honderden tegelijk letterlijk aait door zijn hand over de bijen op de raat te strijken.

Het blijkt dat de bijen dan een soort kwispelgedrag gaan vertonen: ze reageren op een bepaalde manier op zijn streling. Daar komt bij dat huisdieren min of meer afhankelijk zijn van de huisbewoners. En ook dat geldt voor de honingbij, die voor een goede plek en voor zijn behuizing van de imker afhankelijk is.

Voor haar voedsel zorgt de bij echter zelf. Al zal de imker het volk wel moeten bijvoeren als er teveel honing uit het volk wordt gehaald voor menselijke consumptie. In onze streken is het gebruikelijk dat de bijen voor de winter invalt worden gevoerd met een mengsel van suiker en water, waaraan soms kruiden worden toegevoegd om de oplossing rijker te maken en meer op nectar te laten lijken

Indiase prenten

Ooit waren alle dieren huisdieren. Nog zichtbaar op talloze prenten uit India, waar ‘roofdieren’, slangen en olifanten tussen mensen staan afgebeeld. Nog altijd gebruikt men de olifant in India voor bosbouw- en landbouwdoeleinden.

Ooit waren alle dieren huisdieren. Denk ook aan de slangenbezweerder die de giftige cobra met zijn fluit uit de mand weet te toveren. En bedenk daarbij dat de cobra niet op de muziek danst, want slangen zijn ongevoelig voor geluid. De getergde cobra volgt de ritmisch heen en weer bewegende fluit alsof het haar belager is. In veel Maleisische huishoudens worden slangen nog altijd als huisdier gehouden. Met haar territorium in de boom naast het huis. Men hoopt dan dat het dier de bewoners geluk brengt.

Pas na de Indische cultuurperiode zijn de dieren steeds meer verwilderd – omdat de mens er niet meer mee om kon/wilde gaan. Geleidelijk aan zijn in ons land alleen honden, poezen, knaagdieren en wat groot en klein vee als huisdieren overgebleven. En het proces gaat door. Een van de dieren die op dit moment dreigt te verwilderen is de poes.\In de duinen moeten de verstoten katten hun eigen territorium veroveren – nadat de mens hen uit huis heeft gezet, omdat er bijvoorbeeld geen oppas tijdens de vakantie kon worden geregeld. Katten die snel moeilijk benaderbaar worden voor de mens: een nieuw soort ‘roof’dieren. Je zou kunnen zeggen dat het verwilderingsproces van dieren die voorheen als huisdieren werden gezien wijst op een gebrek van de mens om het contact met het dier te onderhouden. Of de honingbij ooit verwilderd is, is echter nog maar de vraag. Misschien dat haar ontstaansgeschiedenis meer licht op deze twijfel werpt.

Hoe oud is de bij? Als we daar een antwoord op proberen te vinden, komen we eerst bij de natuurwetenschap. De bij zou volgens de literatuur tientallen miljoenen jaren oud zijn en afstammen, zo veronderstelt men, van de graafwesp. In de Baltische landen zijn brokken hars gevonden waarin bijen zitten opgesloten. En men meent dat deze hars vijftig miljoen jaar geleden is gestold en dat geeft meteen een idee van de ouderdom van de bij
Vijgenboom

Geesteswetenschappelijk gezien is de bij afkomstig van een ander vliesvleugelig insect; een insect dat een zeer innige relatie met de bloemenwereld onderhoudt. Het betreft een vijgenwespje dat de vijgenboom nodig heeft voor haar voortplanting, terwijl de vijgenboom voor het afrijpen van haar vruchten, en dus haar voortplanting, weer afhankelijk is van het vijgenwespje.

Vijgenwespje en vijgenboom vormen aldus een bijzondere biologische en fysiologische eenheid. Uit dit vijgenwespje is, door bepaalde maatregelen te nemen, de bij in de Atlantische periode gekweekt.

Deze niet nader omschreven maatregelen zijn vergelijkbaar met de methode waarmee men granen uit grassen wist te kweken en Arabische volbloeds uit wilde paarden. De mededelingen die hieromtrent door Rudolf Steiner in het najaar van 1923 zijn gedaan, zijn verder uitgewerkt door Iwer Thor Lorenzen.

Volgt men de redenering van Lorenzen dan is de afkomst van de honingbij van het vijgenwespje veel waarschijnlijker en logischer dan een afstamming van de graafwesp. Een van de wezenlijke biologische verschillen tussen beide insecten is dat zelfs bij de meest primitieve bijen de larven uitsluiten met nectar en stuifmeel worden gevoerd, terwijl de graafwespen hun broed vlees voeren, namelijk vliegen en kevers. Dit gezichtspunt brengt de bij zeer dicht bij de mens. De bijen die in het wild leven of leefden werden zeer waarschijnlijk daarvoor verzorgd door imkers. Rudolf Steiner heeft zijn lezingencyclus over de bijen enkele maanden voor de landbouwcursus gehouden, die de basis is geworden van de bd-landbouw. Voor mij is deze korte tussenperiode een van de vele aanwijzingen voor het bestaan van een bijzondere relatie tussen de bijen en de landbouw. Een relatie die ik een volgende keer verder wil uitwerken.

Theo Georgiades

Kerstnacht in de bijenstal

Drie jaargetijden lang vliegen de bijen je om de oren, maar in de winter zijn ze plots verdwenen.

“Wat spoken ze uit? Waar zitten ze? Zijn ze met de vogels naar het zuiden getrokken? Oh … zijn ze nog in het land. Wat geef je ze dan te eten? Hebben ze het niet koud? Zet je ze bij de kachel?”. Het zijn enkele van die talloze leuke verrassende kindervragen over bijen. Met open mond wordt er vervolgens naar de antwoorden geluisterd.

“Nee, de bijen trekken niet naar het zuiden. In de winter blijven ze in hun korf . Ze kruipen dicht op elkaar en vormen een hechte tros die tussen de raten zit waar ze de afgelopen maanden de honing in hebben opgeslagen, wat een heel werk is geweest, het omzetten van die waterige nectar uit de bloemen naar honing. Honing is tenslotte bijenspuwsel. Als de bijen de nectar aan haar lot hadden overgelaten, zou er van indikken niet veel terecht zijn gekomen. De zorgvuldig vergaarde nectar zou al snel tot gisting overgaan en de hele korf zou op een jeneverstokerij zijn gaan lijken, met stomdronken bijen waggelend over de raten.
Nietsdoen

Vandaar dat de ‘haal’-bij bij thuiskomst de nectar afgeeft aan de met uitgestoken tong wachtende jonge werkbijen. Deze spoeden zich naar een rustig plekje, blijven daar roerloos zitten, schijnbaar nietsdoend, maar in werkelijkheid bewegen de monddelen voortdurend; almaar openen en sluiten de lippen zich, de grote onderkaak zwaait heen en weer en langzaam wordt er een grote druppel nectar naar buiten gebracht, deze zwelt tot maximale grootte en wordt dan weer naar binnen gezogen. Dit proces herhaalt zich iedere tien seconden. Na ongeveer een half uur kan de nectardruppel worden opgeborgen en gaat ze verder met de volgende druppel. Dit rijpingsproces wordt met dezelfde druppel door meerdere werkbijen herhaald, ook wordt er een kleine hoeveelheid bijengif aan toegevoegd.

Dankzij dit eigen product hebben de bijen voedsel, kunnen ze zich als één organisme warm houden en zo de winter doorkomen. Een winterslaap houden ze niet. Slapen doen ze nooit; hou je je oor bij de opening van de korf dan valt er altijd iets te beluisteren. Afhankelijk van de situatie is er een ‘ch’-fluisteren of kunnen we een zoemend ‘st’ of ‘zr-sr’ of een geruis alsof er een lichte bries door een bos waait. Elk geluid heeft zijn betekenis.

 

Kerstavond

En dan nadert kerstavond. Door de tijden heen zijn er imkers geweest die naar dit moment uitkijken. DE kerstavond heeft niet alleen voor de mens betekenis, maar is tevens in de natuur een bijzondere avond. Ooit is mij door een oude Drentse imker iets verteld over kerstavond met betrekking tot de bijen: “Rond middernacht moet je maar eens gaan luisteren.” Sindsdien luister ik vele jaren in de kerstnacht aan de korven en …..

Dat er tussen de bijen en de gebeurtenis in de kerstnacht een relatie is blijkt ook uit overleveringen als: “Een ander staaltje van imkergeloof was, dat de imker, die in de kerstnacht aan de korven luisterde de kerkklokken hoorde luiden.” (imkertijdschrift ‘t Groentje 1965). En … volgens het volksgeloof staat om twaalf uur in de kerstnacht de tijd een ogenblik stil. Daarom is er op dat moment ontroering in heel de schepping. De bijen gaan zacht aan het gonzen in hun korven.” (uit een oude Kloosterkookboek).

In het dagboek van William Fleming uit 1808 staat opgetekend: “Dit is de oude kerstdag, de bijen vieren om twaalf uur het begin van de dag met muziek, hetgeen jaarlijks wordt herhaald, daar zij zo fijngevoelig zijn dat dit de juiste dag is die heilig moet blijven in de viering van Christus’ geboorte. Deze geschiedenis welke ik vaak gehoord heb, wordt als waar bevestigd door lieden die hun korven herhaaldelijk hebben bezocht (om de waarheid ervan te kunnen vaststellen) en zij zijn volkomen overtuigd dat het alleen op deze dag gebeurt.”

Reeds vele eeuwen voor de geboorte van Jezus van Nazareth bestond in Egypte de mythe van Serapis, de godszoon, die op 25 december in een hol uit een maagd geboren werd, twaalf voedsters had en ter wiens ere tot 6 januari feest werd gevierd. Deze mythe heeft een relatie met de huidige viering van de geboorte van de Nathanische Jezus op 25 december, zoals in het Lucas-evangelie vermeld staat, in Bethlehem in een stal, bekend gemaakt door de herders in de westerse wereld. En daarnaast de viering van de geboorte op 7 januari in de Oosters-orthodoxe kerken van de andere, de koninklijke, de Salomonische Jezus, volgens het evangelie van Mattheus. Bij de laatstgenoemde Jezus komen dan ook de koningen op bezoek. De twaalf voedsters doen aan de 12 apostelen denken en aan de 12 maanden als representanten van de 12 dierenriemtekens. De 12 voedsters zijn een realiteit in de bijenkorf: de koningin blijkt steeds omringd te zijn door een voortdurend wisselende ‘hofstaat’. En bij nader bezien van deze hofstaat, blijkt deze geregeld uit een twaalftal bijen te bestaan.

Het ‘geheim van de 2 Jezuskinderen’, veelvuldig verbeeld door kunstenaars

 

Let op uw wasgoed

En dan is de winter plotseling voorbij als de zon op een dag goed doorbreekt en de temperatuur in de buurt van de tien graden komt. Het is de dag dat voor het eerst sinds langere tijd de waslijnen weer volhangen met grote witte wapperende lappen. De bijen komen oook weer tevoorschijn, wervelend dansen ze door de lucht en de belangrijkste bezigheid van deze eerste vlucht is om de zo zorgvuldig opgespaarde ontlasting van maanden aan een stuk kwijt te raken.

Bij voorkeur doen de bijen dat op die grote witte wapperende lappen die er voor neergehangen lijken te zijn. Het is dan ook zaak voor de imker in de stedelijke omgeving om de buren duidelijk in te lichten over de bijen en hun gedragingen op die eerste mooie warme dag van het jaar.

Na het droppen van de ballast gaat de bij op zoek naar de eerste bloemen voor nectar en met name stuifmeel voor het uitdijende broednest, waarvoor de koningin alweer flink aan de leg is gegaan. Sneeuwklokjes, winterakoniet, krokus en vooral de wilg en de hazelaar worden ijverig bevlogen bij de start van het nieuwe bijenseizoen.

Gepubliceerd in Vruchtbare Aarde van november/december 1990 in de serie ‘Bijengeheimen’.

De grote verhuizing

Voor veel mensen heeft het iets angstaanjagends: de bijenzwerm die je in de maanden mei en juni kunt tegenkomen. 10.000, 20.000 of meer bijen in een snel bewegende wolk – op weg naar een nieuwe behuizing. De zwermbehoefte is onderdeel van het bijenorganisme, maar voor veel imkers geldt dat je een slecht imker bent als je je bijen laat zwermen.
Geluk

Mogelijk heb je in de afgelopen maanden het geluk gehad een zwerm bijen te zien. Zo niet, dan bestaat er nog een kleine kans op in juli. Mei en juni zijn voor de bijen de zwermmaanden bij uitstek.

Het is tegenwoordig wel een tref, zo’n zwerm bijen. Als het aan de reguliere hedendaagse imker met zijn ‘kunstmatige’ bedrijfsmethode ligt, zal je helemaal geen zwerm meer zien. Vrijwel alle imkerhandboeken van de afgelopen 100 jaar geven aan hoe de imker het zwermen kan verhinderen. De opvatting heerst dat je geen goed imker bent als je de bijen laat zwermen. De buren hebben er last van is één argument. Of … de honingproductie stagneert. De werkelijke achtergrond ligt dieper: als imker hoor je de bijen de baas te zijn en als ze zwermen ben je dat niet. Veel imkers beschouwen een collega-imker die zijn bijen laat zwermen zelfs als niet vakkundig.
George Orwell

De gebruikelijke manier om naar de bij te kijken is de bijen te zien als volk, als een ideale staat, perfect georganiseerd en geregeld. Ieder bijtje weet precies wat haar te doen staat in dienst van de totaliteit. Eigen wensen, verlangens of doeleinden zijn afwezig. Een beeld van de perfecte geoliede machine. Het beeld van Orwell’s 1984; de staat waarin de eigenheid van het individu is verdwenen, omdat hij wordt gedwongen zich aan te passen aan het geheel. Solidariteit is de newspeak-term daarvoor. Hij dient de eigenheid op te offeren voor het collectief, de totaliteit. Hij moet compromissen sluiten. Het is het beeld van het ‘Europa 1992’.

Een geheel andere beschouwing is die van de bij als één organisme met vele duizenden organen. Ieder bijtje is te beschouwen als een orgaan behorend tot de totaliteit van het bijen’volk’, zij het dat deze organen veel minder fysiek gebonden zijn aan de totaliteit van het organisme dan bijvoorbeeld bij het dier of de mens het geval is. Bij nadere beschouwing heeft dit totale bijenorganisme onder andere een geheel eigen stofwisseling, een eigen warmtehuishouding en een eigen aard. Dit is de reden dat en met name in vroeger tijden sprak over ‘de bij’, ‘de imme’ als de totaliteit van de bijen in één korf en niet over ‘het bijenvolk’. Op het ene moment is het organisme compact, namelijk als alle bijtjes in de winter een tros vormen of als ze als zwerm in een struik hangen en op een ander moment is het bijenorganisme veel groter dan een olifant en heeft het zich over meer dan 100 km2 uitgespreid.
Chaos

Maar terug naar het zwermen. Zittend in mei voor de bijenstal kan het gebeuren dat één korf plotseling in beroering komt. De korf begint over te koken; de bijen stromen er uit en ergens in hun midden bevindt zich de koningin (moer). Het gonzen zwelt aan als de golven bijen zich in de lucht verheffen. Het lijkt een chaos. Alle bijen schieten dooreen, de zon wordt enigszins verduisterd en tienduizenden bijen laten een gezoem horen dat nog lang naklinkt.

Orde lijkt er niet te zijn, behalve dan dat de bijen bij elkaar in de buurt blijven. Wandelend door de zwerm, die meer dan 30 meter in doorsnede kan zijn, zal de leek vaak angst ervaren. Het is bekend dat een zwerm niet of zelden steekt, maar ondanks die wetenschap of ervaring confronteert de bij de mens, bewust of onbewust met de dood.

Zwermen is het sterfproces van de imme. Zij verlaat haar lichaam, de korf met de raat (geraamte), waarin het broed, de voedselvoorraad van honing, het stuifmeel achterblijft, samen met vele, vooral jonge bijtjes en één of meer aanstaande koninginnen in de dop, die spoedig geboren zullen worden. Bij haar sterven poogt de bij de geestelijke wereld te bereiken. Zij poogt de richting waarvandaan zij ooit is gekomen weer in te slaan: naar de zon. De zichtbare aanwezigheid van de zon/zonlicht blijkt dan ook een voorwaarde voor het zwermen. Maar de vlucht van de imme naar de zon is, net als dit voor Icarus was, een onmogelijkheid. De weg terug naar de zon is afgesloten. Icarus viel terug naar de aarde, te pletter. De imme slaat ook terug en hergroepeert zich als een tros, vaak aan een tak, onder een dakgoot, rond een lantaarnpaal of iets anders dat houvast biedt. Daar hangt dan de naakte zwerm, ontdaan van haar huid en lichaam, de korf/kast met inhoud. Totdat er een imker komt die haar een nieuwe omhulling, een nieuwe huid geeft: een korf, die past bijhaar vorm en waarbinnen zij uit zichzelf van boven naar beneden, van was, een nieuw lichaam op kan bouwen.
Diplomatenkoffer

Het is vakwerk om een zwerm goed te scheppen, oftewel de zwerm in haar geheel in een schepkorf te krijgen, door haar bijvoorbeeld van een tak te schudden. Bij lantaarnpalen wordt het schudden heel wat moeilijker en moet een andere oplossing gevonden worden. In Amsterdam rijdt een imker rond met een aparte manier van zwermen scheppen. Als ergens een zwerm zit, bijvoorbeeld op een fiets of een hek, komt hij met stoffer en blik aanzetten. Een diplomatenkoffer gaat open, de bijen worden erin geveegd, het koffertje gaat dicht en de imker rijdt in zijn auto naar de plaats waar de bijen een nieuwe behuiding krijgen.

Eerder verschenen in Vruchtbare Aarde – Vruchtbare Aarde – van juli 1990.

Een video op You Tube – YouTube 4’27” – laat zien hoe een zwerm hangend aan een fietstas in Hardenberg op 20 mei 2009 door imkers word geschept.

Een andere, Engelstalige video, “How to catch a swarm of bees” van ook op You Tube – YouTube 4’12” – laat zien hoe de imker een zwerm schept in de achtertuin.

De Bijensteek

Als er door leken over bijen gesproken wordt, gaat het bijna altijd over de bijensteek. En omdat bijen kunnen steken, blijft menigeen op eerbiedige afstand. De eerbied is terecht, maar de angst kan minder worden als men meer kennis opdoet.

Bravoure

Je wordt niet zomaar gestoken. Laatst las ik een verhaal van een imker die zijn bijen achterin de tuin had staan. Zijn dochtertje, vier jaar oud, had hij geen angst voor bijen bijgebracht, maar hij schrok wel erg toen ze op een ochtend, terwijl de bijen constant in en uit de kast vlogen, met haar vingertje in het vlieggat aan het ‘roeren’ was. Tot zijn verbazing liep ze daarbij geen enkele steek op.

Een totaal andere ervaring had ik enkele jaren geleden. Met een collega-imker ging ik de bijenkasten inspecteren die op een veld met bloeiende distels stonden. Een kennis van hem wou ook wel eens mee; zo’n heerschap vol bravoure die hoog van de toren blies. Hij zou wel even laten zien dat hij niet bang was. Zijn onrust was dusdanig dat we hem sommeerden om bij het hek te blijven, zodat wij eerst konden inspecteren of de bijen goedgeaard waren. Tegenstribbelend bleef hij achter het hek staan, op ongeveer 50 meter van de bijen, een veilige afstand zou je denken. Wij maakten één van de kasten voorzichtig open, terwijl hij achter het hek al ongeduldiger werd. Het wachten duurde hem veel te lang. Welnu … als hij zich rustig gedroeg, kon hij dichterbij komen, want de bijen waren op deze zonnige dag heel rustig. Onze ‘vriend’ was nog niet over het hek geklommen of hij had al een steek te pakken. Even later zette hij het op een lopen omdat de bijen hem lieten merken dat hij niet welkom was. Zelfs op meer dan 50 meter verdroegen de bijen zijn aanwezigheid niet. Scheldend bleef hij bij de auto op ons wachten. Overigens bleven de bijen bij de geopende kast heel rustig en we liepen geen enkele steek op.

Bijen en vormkrachten

Door krachten worden zaken bij elkaar gehouden. Bijvoorbeeld: De zwaartekracht zorgt er voor dat de aarde bij elkaar blijft en kristallisatiekrachten zorgen er voor dat atomen samen een vaste stof worden. Trek en duwkrachten zorgen dat een bouwwerk blijft staan of een brug blijft liggen.

Vandaaruit kunnen we naar het begrip levenskrachten kijken. Dat zijn dan de krachten die er voor zorgen dat levensprocessen in samenhang functioneren. Die levenskrachten kunnen echter niet vrij in de ruimte bestaan. Zij hebben een organisme nodig, waarbinnen ze kunnen functioneren.

Een organisme heeft op zijn beurt een samenhangende vorm. Deze vorm is verschillend voor mineraal, plant, dier en mens. De vorm van een organisme sluit de binnenwereld van het organisme af van de buitenwereld. Maar dat geldt ook voor de celvorm ten opzichte van de processen binnen de cel of voor een orgaanvorm en de processen die zich binnen een orgaan afspelen. Vormkrachten zijn dan krachten die de vorm bepalen en daarmee de grens bepalen tussen binnen en buiten. De werking van organen en organismen zijn vaak van de vorm afhankelijk. Ze kunnen dan ook misvormd zijn, waardoor ze niet goed kunnen functioneren.

Het lastige van het beschrijven van krachten is, dat wel hun werkzaamheid kan worden waargenomen, maar dat de krachten zelf niet met zintuigen waarneembaar zijn. Je zou kunnen zeggen dat krachten van geestelijke aard zijn. Dat geldt zowel voor zwaartekrachten als voor levenskrachten als voor vormkrachten. Maar ook voor aandrijfkrachten, trekkrachten, spankrachten enz.

Wanneer we het belang van bijen voor de landbouw willen benadrukken, komen we al snel uit op het feit dat bijen uitstekende bestuivers zijn. Er zijn veel proeven naar gedaan en het blijkt dat zowel de gezondheid, als de vorm, als ook het aantal zaden en vruchten dat op gewassen wil groeien bij bestuiving door bijen steeds weer het beste blijkt. Hier vinden we een aanwijzing dat bijen bemiddelen bij vormkrachten, die de vorm van vruchten bepalen.

Om aan te kunnen geven wat het zeggen wil dat bijen belangrijk zijn bij de bemiddeling van vormkrachten, moeten we iets dieper graven of hoger vliegen.

Op een boerderij kunnen we verschillende kwaliteiten waarnemen:

De kwaliteit van de bodem waarop een boerenbedrijf zich heeft gevestigd. Alhoewel deze bodem naar onze begrippen mineraal en dood is, vormt hij wel de grondslag voor het leven. Immers de planten moeten in de bodem geworteld zijn om te kunnen groeien. De ene bodem is vruchtbaarder dan de andere. (het fysieke, vaste)

De kwaliteit van het leven zelf, dat zichtbaar wordt in de planten. Deze planten dienen als voedsel voor mens en dier op de boerderij en daarbuiten. Schoon water en schone grond zijn daarbij basale voorwaarden om het plantenleven goed te kunnen ondersteunen. (het etherische, vloeibare)

De kwaliteit van de vorm van planten en dieren. Wanneer ze er goed uitzien, dan wordt een soort ideale vorm benaderd. Vanuit de normale wetenschap wordt in dit verband gewezen op de genetische achtergrond van plant en dier. Vanuit mijn visie komt de vorm echter uit een geestelijke werkelijkheid tevoorschijn. (het astrale, luchtige) Het astrale wordt op een boerderij door de dieren vertegenwoordigd. Dieren in de grond, dieren op de grond en dieren in de lucht.

De kwaliteit van de boer bepaalt uiteindelijk hoe het op zijn bedrijf gaat. De mogelijkheden en onmogelijkheden van een boer, met zijn doelstellingen en met de verbindingen die hij met anderen heeft trekken door een boerenbedrijf heen, zoals warmte door de materie. In alle facetten wordt het zichtbaar, voelbaar, waarneembaar.
(“ik” krachten, warmte)

De insectenwereld als geheel neemt in de natuur en op de boerderij een bijzondere plaats in. Met name bijen hebben een functie op de boerderij, naast de andere dieren. Zij komen vanuit de lucht naar de planten toe en brengen de lucht dan ook in beweging. Vanuit de warmte in het broednest ontwikkelen ze zich en door de lucht brengen ze warmte naar het vruchtbeginsel van de planten. Vanuit de geest (warmte), via het astrale (lucht) naar het etherische (planten). Op deze manier bemiddelen zij in de processen die vormkrachten bij het plantenleven brengen. Door hun werkzaamheden worden planten daarom gezonder en gaan er beter uitzien. Daarom bijvoorbeeld zien de appels en peren die door bijen zijn bestoven er veel beter uit. Gezonde planten zien er goed uit en functioneren beter als organisme. Gezonde planten hoeven niet beschermd te worden tegen aantasting door schimmels of insecten en kunnen mens en dier voeden. Voor gezonde voeding moet een boerenbedrijf daarom vriendelijk zijn voor insecten en vooral voor bijen.

Jan Saal